Dierproeven

Dierproeven: ook wij doen ze liever niet. Wie wij zijn? Wij zijn de mensen van de Brandwonden Stichting en het brandwonden-onderzoeksinstituut (VSBN). Wij zijn de artsen, verpleegkundigen en honderden andere professionals uit de brandwondenzorg. En allemaal willen we dat dierproeven niet meer nodig zouden zijn.

Dierproeven: alleen als het verplicht is. De medewerkers van de Brandwonden Stichting werken aan twee doelstellingen: brandwonden voorkomen en mensen met brandwonden de allerbeste zorg en nazorg geven. Om brandwondenpatiënten na hun ongeluk een optimale kwaliteit van leven te bieden, zoeken we naar oplossingen om littekenvorming bij brandwonden tegen te gaan. En laten we nieuwe operatietechnieken of behandelingen om contracties en jeuk te verminderen onderzoeken. Om die reden investeert de Brandwonden Stichting in wetenschappelijk onderzoek. En bij wetenschappelijk onderzoek is het soms verplicht om dierproeven uit te voeren.

Dierproeven: bij gebrek aan alternatieven. De Brandwonden Stichting is tegen onnodig gebruik van proefdieren. Het gebruik ervan wordt alleen geaccepteerd als er geen geschikte alternatieven zijn. Van het totaalbedrag dat de Brandwonden Stichting de afgelopen vijf jaar in wetenschappelijk onderzoek investeerde, is 1,3% besteed aan de inzet van proefdieren. Deze onderzoeken beschikken allemaal over een goedkeuring van de overheid en de Dier Experimenten Commissie (DEC). Zonder deze goedkeuring mag je als onderzoeker geen proefdier-gebonden onderzoek doen.

Dierproeven: waarom is het soms nodig? Als een nieuwe behandeling in een brandwondencentrum op patiënten wordt toegepast, is er in het voorafgaande onderzoek aan een aantal voorwaarden voldaan. Zo moet een nieuwe behandeling bewezen effectief zijn en een meerwaarde hebben ten opzichte van de huidige behandeling. Daarnaast moet de behandeling veilig zijn voor de patiënt. Dat betekent dat er tijdens én na de behandeling geen ernstige bijwerkingen mogen optreden. Om de veiligheid van een nieuwe behandeling voor patiënten te garanderen, is het een verplichting vanuit de overheid dat de nieuwe behandeling eerst op dieren is getest.

Dierproeven: er zijn alternatieven! De Brandwonden Stichting moedigt onderzoekers aan om zoveel mogelijk alternatieven voor proefdieren te gebruiken. Zo investeerden we bijvoorbeeld in een studie waarbij in het laboratorium stukjes huid gekweekt worden waarin vervolgens een brandwond wordt gemaakt. Met dit huidmodel is het mogelijk om de wondgenezing of infecties in brandwonden te bestuderen zonder daarvoor een dier te hoeven gebruiken. Ook kan dit huidmodel gebruikt worden voor het testen van farmaceutische middelen en cosmetica. In 2010 is deze studie[1] tijdens de Biotechnische dagen beloond met de prijs voor het beste wetenschappelijke artikel.

Dierproeven: als het kan, zijn wij liever zelf proefkonijn. Bij de Brandwonden Stichting snappen we heel goed hoe belangrijk wetenschappelijk onderzoek is om steeds betere (na)zorg aan mensen met brandwonden te kunnen geven. Daarom stellen we onszelf regelmatig beschikbaar als proefkonijn. Bijvoorbeeld voor een onderzoek naar de toepassing van perforatoren (een soort bloedvaten die dwars door alle huidlagen heen gaan) bij het transplanteren van grote stukken huid. Het opsporen van die perforatoren met echo-apparatuur kan prima geoefend worden bij mensen, dus doneerden medewerkers tijdelijk hun arm of buik aan de plastisch chirurg.

Dierproeven: je mag altijd meer weten! Wil je meer weten over dierproeven? Op www.informatiedierproeven.nl vind je meer over hoe proefdieren leven en de wettelijke verplichting rond dierproeven. Of kijk dit filmpje: http://www.youtube.com/watch?v=TRA4UMaD2H4. De Nederlandse Brandwonden Stichting is lid van de Samenwerkende Gezondheidsfondsen (SGF). Samen met de 19 andere leden van SGF hebben we een standpunt over de inzet van dierproeven geformuleerd. Lees dit op http://www.gezondheidsfondsen.nl/nieuws-/achtergrond-dierproevenbeleid-sgf.aspx.

[1] Vlig M, Coolen NA, Schouten KCWM, Middelkoop E, Ulrich MMW. Ontwikkeling van een in vitro-brandwondmodel. Biotechniek (2009) 48(6): 217-227

X